{"id":222709,"magazine_id":19299,"template_id":30,"title":"Hoe verloopt de transitie bij jou in het sociale domein?","alias":"hoe-verloopt-de-transitie-bij-jou-in-het-sociale-domein","page_no":6,"meta_keywords":null,"meta_description":null,"share_url":null,"options":{"has_disabled_header":false,"exclude_from_navigationbar":false,"share_url":null},"header":null,"content":{"background":{"filename":"grijs.da32899215c1.jpg","uri":"\/images\/grijs.da32899215c1.jpg","alt":null,"filemime":"image\/jpeg","filesize":7940,"width":104,"height":79},"nav_type":"bars","rows":[{"row_type":1,"text_image":[{"title":"Hoe verloopt de transitie bij jou in het sociale domein?","subtitle":"Nuray Dogan","description":"<p>Binnen het sociaal domein zijn er allerlei maatschappelijke vraagstukken. Een aantal grote maatschappelijke vraagstukken zijn bijvoorbeeld de opvang van statushouders, de jeugdwerkloosheid, eenzaamheid van ouderen en vroegtijdige schoolverlaters. De gemeente kan er ook voor kiezen om actieve burgers, zorgorganisaties en sociale ondernemers in te schakelen in plaats van alles zelf op te willen pakken.<\/p>","image":{"filename":"feet-619517_640-lanczos3_2.4cbbb8eabe71.jpg","uri":"\/images\/feet-619517_640-lanczos3_2.4cbbb8eabe71.jpg","alt":null,"filemime":"image\/jpeg","filesize":85302,"width":1088,"height":724},"content_position":"0","style":{"background_title":["background: rgb(53,95,141);","background: rgba(53,95,141,1);"],"title":["font-family: Arial, Helvetica, 'sans-serif'; font-weight: normal;","font-size: 36px;"],"subtitle":["color: rgb(227,50,121);","color: rgba(227,50,121,1);","font-family: Arial, Helvetica, 'sans-serif'; font-style: italic;","font-size: 14px;"],"paragraph":["font-size: 14px;","font-family: Arial, Helvetica, 'sans-serif'; font-weight: normal;"],"background_paragraph":["background: rgb(255,255,255);","background: rgba(255,255,255,1.00);"],"m_title":[],"m_subtitle":[],"m_paragraph":[]}}]},{"row_type":4,"text":[{"title":null,"description":"<p>Dit kan bijvoorbeeld via zelforganisatie en burgerparticipatie. Vaak worden deze twee termen gebruikt als synoniemen van elkaar, maar er zijn wel degelijk grote verschillen tussen te vinden. Bij zelforganisatie liegt het eigenaarschap consequent bij de burgers en ontstaat spontaan en van onderop. Verder heeft zelforganisatie een conditionerende werking op de betrokken burgers; ze passen zich aan de ongeschreven regels aan. Ook zijn veranderingen in de omgeving een trigger voor het ontstaan van zelforganisatie en een brandstof voor de zelforganisatie om zelf organiserend te blijven.<\/p><p><br>Aan de andere kant is er sprake van burgerparticipatie. Bij burgerparticipatie betreft het veelal een vastgesteld probleem in de gemeenschap waarbij de overheid de verantwoordelijkheid neemt. Wel is het zo dat de burgers inspraak hebben. Praktisch betekent dit dat burgerparticipatie gekaderd wordt in een project, met doelen, tijds- en resultaatafspraken. Er zal verder in dit stuk dieper op de organisatievorm zelforganisatie worden ingegaan.<\/p><p><br>Want wat wordt er eigenlijk bedoeld met het ontstaan van een zelforganisatie \u2018spontaan en van onderop\u2019? Individuele burgers vinden elkaar in een gedeeld belang of een gemeenschappelijke interesse. Dit kan bijvoorbeeld het opzetten van een klussendienst, het organiseren van activiteiten voor ouderen of actievoeren op plannen van de gemeente zijn. Het spontane van zelforganisatie is dat het niet af te dwingen is; het ontstaat vanzelf. De interne motivatie van de individuele burger, het eigen belang en eigen interesse zijn de belangrijkste redenen om actief te worden.<\/p><p><br>Zelforganisatie is dus niet af te dwingen, maar er zijn wel mogelijkheden voor de gemeente om het te stimuleren. Het is noodzakelijk om geen juridische meetlat te hanteren, maar het idee van een maatschappelijke Business case <!--[if !supportAnnotations]-->. Ook is het belangrijk om het maatschappelijke resultaat te benoemen, maar je niet te bemoeien met de weg daar naar toe. Vermijd de regierol; zorg dat je niet gaat sturen! Cre\u00eber ook ruimte om te experimenteren met platforms van actieve burgers, sociaal ondernemers en zorg-organisaties die samen een uitdaging in de wijk\/buurt aanpakken, zoals hoe dat ging bij de Social Impact Factory in Utrecht.<\/p><p><br>Een andere vorm van zelforganisatie is professional zelforganisatie. Ook deze vorm van zelforganisatie is te faciliteren vanuit de gemeente. Dit gebeurt op verschillende niveaus. Op micro-niveau gaat het om de individuele buurtbewoners. Op meso-niveau gaat het om de buurtgemeenschap en op macro-niveau de (on)geschreven normen en waarden in de samenleving. Er zal nu dieper worden ingegaan op elk van de drie niveaus.<br><!--[if !supportLineBreakNewLine]--><br><\/p><p>Op micro-niveau moeten buurtbewoners elkaar vinden op het niveau van de individuele competenties. Dit kunnen zowel generiek (gesprek voeren, empathie, sensitiviteit, conflict oplossend vermogen en onderhandelen) als specifiek (gerelateerd aan een probleem, initiatief of idee) zijn. Om collectief handelen mogelijk te maken moeten beide typen competenties aanwezig zijn. Er zijn ook barri\u00e8res bij het handelen op micro-niveau. Dit is bijvoorbeeld chronische armoede, waardoor mensen weerhouden worden om anderen te ontmoeten en deel te nemen aan zelforganisaties. Ook hebben mensen die moeten \u201coverleven\u201d weinig ruimte voor nieuwe idee\u00ebn.<\/p><p><br>Op micro-niveau zijn er ook tips voor de gemeente voor een extra stimulans: investeer in projecten rond arbeidsparticipatie, zorg dat je bewoners die thuis zitten, die een potentiaal aan kapitaal voor de wijk zijn, niet ontsluit en biedt specifieke trainingen\/workshops voor zelforganisatie aan om de kwaliteit van organisatie te kunnen waarborgen.<\/p><p><br>Een voorbeeld van een project is het project \"<a href=\"http:\/\/www.vilans.nl\/over-vilans-nieuwsoverzicht-Resultaten-pilot-een-goede-buur-stmg.html\" onclick=\"Magazine.tracker.trackOutbound( this, event, 'click', $(this).text() );\" target=\"_blank\">een goede Buur<\/a>\" door Stmg\/Vilans. Daarbij werd gewerkt aan de versterking van de relatie van thuiszorg met informele zorg. De focus was gericht op het sociale netwerk van de cli\u00ebnten: buren, vrienden en familie in de \u201ctweede lijn\u201d. Het doel was om de eigen kracht te versterken samen met het informele netwerk.<\/p><p>Op meso-niveau zijn er vier factoren die van invloed zijn. Dit zijn: buurtgebonden sociale cohesie, buurtoverstijgende culturele verbondenheid, buurtgebonden tolerantie en aantrekkelijkheid van de buurt.<\/p><p><br>Buurtgebonden sociale cohesie draait om het investeren in de \u201ckleefkracht\u201d die een buurtgemeenschap bij elkaar houdt. Een krachtig instrument hierbij is de \u201cburgerkrachtgenerator\u201d. Dit instrument stimuleert zelfredzaamheid, zorg voor elkaar en maatschappelijke participatie. Het zet in op zelforganisatie van burgers op thema\u2019s die zij belangrijk vinden.<br>De tweede factor is de buurtoverstijgende culturele verbondenheid. Dit draagt bij aan een open gerichte zelforganisatie. De buurtoverstijgende culturele verbondenheid staat open voor diversiteit, andere religies, normen en waarden en gewoonten buiten de eigen wijk\/buurt. Een instrument hierbij is maatschappelijke stages om zo andere culturen\/religies te ontmoeten.<\/p><p><br>De volgende factor is de buurtgebonden tolerantie. Dit is een buurtgemeenschap voor andersdenkenden. Hierdoor zal een divers palet aan competenties aanwezig zijn. Het gaat niet alleen om de maten van verbondenheid (cohesie), maar ook om de ruimte binnen het potentieel van die verbondenheid. Een sterk voorbeeld hiervan is <a href=\"http:\/\/www.zorghuus.nl\/\" onclick=\"Magazine.tracker.trackOutbound( this, event, 'click', $(this).text() );\" target=\"_blank\">\u2019t Zorghuus Ysselsteyn<\/a> in Limburg. In Ysselsteyn moesten mensen die vanwege dementie of andere beperkingen niet langer thuis konden wonen, voor de laatste fase van hun leven weg uit hun eigen dorp. Actieve burgers en ondernemers in het dorp hebben toen het zorghuis opgericht. Hier is goed te zien dat volledige zelforganisatie van de dorpsgemeenschap heeft uitgepakt in het vinden van een oplossing voor deze maatschappelijke uitdaging.<\/p><p><br>De vierde en laatste factor is de aantrekkelijkheid van de buurt. Het vergroten van de aantrekkelijkheid van de buurt voorkomt interne gerichtheid. De in- en uitstroom in de buurt zorgt ervoor dat de buurt zich continu vernieuwt. Voorbeelden hiervan zijn: de kwaliteit van de woningvoorraad, voorzieningen en de bevolkingssamenstelling.<\/p><p><br>Op het grootste niveau, het macro-niveau, gaat het om de (on)geschreven normen en waarden in de Nederlandse samenleving. Ze hebben een conditionerende invloed op de zelforganisaties en individuen. Een buurtgemeenschap kan bijvoorbeeld een knokploeg samenstellen om de overlast van hangjongeren op deze manier op te lossen, maar door de conditionerende werking van de (on)geschreven maatschappelijke normen en waarden gebeurt dit niet gauw. Een sterk instrument bij deze factor is het organiseren van buurt-\/stadsdebatten, waarbij aandacht wordt besteed aan groepen die normaal minder afkomen op praatsessies.<br><br>Zelforganisatie van burgers is dus te bevorderen door te investeren in een sociaal klimaat waarin zelforganisaties makkelijker kunnen ontstaan. Dit kan door te investeren in: individuen (competenties en economisch kapitaal), cohesie, tolerantie aantrekkelijkheid en culturele verbondenheid. De allerbelangrijkste en laatste tip is om niet te vergeten met wie je te maken hebt; cultuur, identiteit en behoefte van de wijk maken maatregelen voor zelforganisatie tot een succes!<\/p>","columns":"2","style":{"title":[],"paragraph":["font-family: Arial, Helvetica, 'sans-serif'; font-weight: normal;","font-size: 14px;"],"m_title":[],"m_paragraph":[]}}]}]}}