{"id":112548,"magazine_id":10902,"template_id":30,"title":"Interview Rob Widdershoven","alias":"interview-rob-widdershoven","page_no":8,"meta_keywords":null,"meta_description":null,"share_url":null,"options":{"has_disabled_header":false,"exclude_from_navigationbar":false,"share_url":null},"header":null,"content":{"background":{"filename":"schermafbeelding_2015-08-24_om_155744.0a009e84660c.png","uri":"\/images\/schermafbeelding_2015-08-24_om_155744.0a009e84660c.png","alt":null,"filemime":"image\/png","filesize":6653,"width":102,"height":99},"nav_type":null,"rows":[{"row_type":1,"text_image":[{"title":"Interview met advocaat-generaal Rob Widdershoven","subtitle":null,"description":"<p>Rob Widdershoven is hoogleraar Staatsrecht, Bestuursrecht en Rechtstheorie aan Universiteit Utrecht. Daarnaast is hij werkzaam als de eerste advocaat-generaal binnen het bestuursrecht. Hij heeft inmiddels een aantal conclusies uitgebracht, waaronder een conclusie over de vraag of de werking van het relativiteitsvereiste in het bestuursrecht in bepaalde gevallen gecorrigeerd zou moeten worden. Zijn slotsom was positief: ja, in bepaalde situaties kan aanleiding bestaan om een correctie toe te passen op de toepassing van artikel 8:69a Awb. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft die lijn inmiddels bevestigd in haar uitspraak van 16 maart 2016 (<a href=\"http:\/\/www.omgevingsweb.nl\/jurisprudentie\/ECLI:NL:RVS:2016:732\" target=\"_blank\" onclick=\"Magazine.tracker.trackOutbound( this, event, 'click', $(this).text() );\">ECLI:NL:RVS:2016:732<\/a>). Hieronder treft u een weergave van een interview met Rob Widdershoven.<\/p>","image":{"filename":"3044629376_917e7850ff_o.ab456fa60bd1.jpg","uri":"\/images\/3044629376_917e7850ff_o.ab456fa60bd1.jpg","alt":null,"filemime":"image\/jpeg","filesize":243222,"width":1320,"height":880},"content_position":"0","style":{"title":["font-size: 36px;","font-family: 'Times New Roman', Times; font-weight: normal;"],"subtitle":[],"paragraph":["font-size: 16px;"],"m_title":[],"m_subtitle":[],"m_paragraph":[]}}]},{"row_type":0,"text_image_quote":[{"title":null,"subtitle":null,"description":"<p><strong>De conclusie en uitspraak beperken zich tot het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Andere beginselen (zoals de belangenafweging en de materi&euml;le zorgvuldigheid) zijn zo verknoopt met de bevoegdheidsuitoefening, dat de relativiteit opgaat in de toe te passen materi&euml;le norm, merkt u op in uw conclusie. Hoe verhoudt die constatering zich tot de uitspraak over de Amelandse pomphouder? Daarin concludeerde de Afdeling dat het bestemmingsplan en het stelsel van de Woningwet (oud) er &ldquo;<em>mede toe (strekken) rechtszekerheid te verschaffen aan belanghebbenden en beschermen mede tegen schade die wordt veroorzaakt door een onrechtmagie inbreuk daarop<\/em>&rdquo;. Zijn er situaties denkbaar waarin &ndash; in het kader van een <em>vernietigingsberoep<\/em> - w&eacute;l een correctie plaatsvindt met een beroep op het algemene materi&euml;le rechtszekerheidsbeginsel? &nbsp;<\/strong><\/p>\n<p>\"De zaak van de pomphouder ging over aansprakelijkheid en schadevergoeding en niet over vernietiging. Die zaak en de ruime benadering van de relativiteit door de Afdeling zijn juist de reden geweest voor de regering om in de wetsgeschiedenis bij artikel 8:69a Awb te benadrukken dat zo&rsquo;n algemene rechtszekerheidscorrectie er niet moet komen.<\/p>\n<p>De vraag is bovendien nog hoe we de uitspraak over de Amelandse pomphouder moeten begrijpen. Sommigen geven daar een ruime interpretatie van. Anderen benadrukken dat de uitspraak moet worden gezien in het licht van de specifieke omstandigheden van dat geval: het strikte limitatief-imperatieve stelsel van de Woningwet en de lange feitelijke voorgeschiedenis. Misschien dat mede daardoor de Afdeling is uitgekomen op schadevergoeding. Ik denk dat de ruime uitleg in die uitspraak niet te verwachten valt bij toepassing van artikel 8.69a, helemaal nu de regering uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt niet toe te willen naar &nbsp;een algemene correctie. Uitgaande van wat de wetgever met artikel 8.69a wilde bereiken, moet er volgens mij geen algemene rechtszekerheidscorrectie worden ingevoerd.\"<\/p>","image":{"filename":"img_5228_20.b2df99343854.jpg","uri":"\/images\/img_5228_20.b2df99343854.jpg","alt":null,"filemime":"image\/jpeg","filesize":559401,"width":1622,"height":1660},"quote":"<p style=\"text-align: center;\"><em>\"De vraag is bovendien nog hoe we de uitspraak over de Amelandse pomphouder moeten begrijpen. Sommigen geven daar een ruime interpretatie van. Anderen benadrukken dat de uitspraak moet worden gezien in het licht van de specifieke omstandigheden van dat geval: het strikte limitatief-imperatieve stelsel van de Woningwet en de lange feitelijke voorgeschiedenis.\"<\/em><\/p>","content_position":"0","style":{"title":[],"subtitle":[],"paragraph":[],"m_title":[],"m_subtitle":[],"m_paragraph":[],"quote":[],"quote_mobile":[]}}]},{"row_type":4,"text":[{"title":null,"description":"<p><strong>De vraag van de Afdeling (en de uitspraak) gaat over concurrerende bedrijven. Hoe zou deze lijn eruit zien als de procederende partij de hoedanigheid heeft van een <\/strong><strong>belangenorganisatie of een natuurlijk persoon?<\/strong><\/p>\n<p>\"De eerste vraag is altijd of die belangenorganisaties ook tegen de relativiteit aanlopen. Bij belangenorganisaties wordt het relativiteitsvereiste vaak vrij ruim toegepast. Er is natuurlijk geen correctie nodig als de relativiteit niet wordt tegengeworpen. Bij natuurlijke personen gebeurt dit wat vaker.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>Ik denk dat voor beiden het vertrouwensbeginsel een rol zou kunnen spelen. Het gelijkheidsbeginsel is lastiger, daar is een gelijke situatie voor nodig. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als een belangenorganisatie iets bedrijfsmatigs doet, maar dan gaat het niet meer om een belangenorganisatie. Maar goed, correcties bij belangenorganisaties en natuurlijke personen zijn minder nodig dan bij concurrenten. De vertrouwensbeginselcorrectie zou dus denkbaar zijn, de gelijkheidsbeginselcorrectie niet. Bij beiden geldt dat de relativiteit soepeler wordt toegepast, dus dat een correctie ook minder nodig zou zijn.\"<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong>In de conclusie wordt overwogen dat van voldoende vergelijkbaarheid sprake is indien een <em>wettelijke verplichting<\/em> destijds aan een partij is opgelegd, en nu &ndash; in strijd met de geldende regels, die op zich zelf beschouwd niet strekken tot bescherming van het belang van de procederende partij - niet aan een andere partij wordt <em>opgelegd<\/em>. De Afdeling overweegt op dit punt dat appellante &ldquo;(...) <em>niet gesteld (heeft) dat zij in vergelijkbare gevallen aan normen is gehouden die vergelijkbaar zijn met de normen waarop zij een beroep doet<\/em>.&rdquo;<\/strong> <strong>Zou de correctie ook op kunnen gaan in de situatie waarin <\/strong><strong>tegen een partij <em>handhavend<\/em> opgetreden wordt (die partij wordt &lsquo;aan normen gehouden&rsquo;), en tegen een andere partij niet? <\/strong><\/p>\n<p>\"Ik denk dat dat wel kan; dat sluit ik niet uit. Bijvoorbeeld wanneer destijds jegens een partij iets werd gehandhaafd maar nu voor een ander niet. Die partij, tegen wie eerst wel gehandhaafd was, moet dan wel eerst door de belanghebbende-toets heen en dan moet er nog blijken dat er een relativiteitsprobleem is.\"<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong>En hoe zou dat zitten in de situatie waarin de eerste partij een afwijkingsomgevingsvergunning wordt <em>geweigerd<\/em> wegens strijd met gemeentelijk beleid (of regelgeving), en een andere partij die afwijkingsomgevingsvergunning wel krijgt, in strijd met dat beleid? &nbsp;<\/strong><\/p>\n<p>\"Ook in die situatie sluit ik een correctie niet uit. De vraag is dan wel hoe strikt het gelijkheidscriterium zou moeten gelden. In deze zaak is niet beslist in hoeverre de locatie en het bestuursorgaan hetzelfde moeten zijn, wil de correctie in verband met het gelijkheidsbeginsel worden toegepast. Ik heb in mijn conclusie betoogd dat hoewel verschillende bestuursorganen aan zet zijn, situaties voor de overheid in brede zin vergelijkbaar kunnen zijn, bijvoorbeeld als dezelfde situatie zich in een nabije gemeente voordoet. Waar ligt dan de grens? Overigens heeft de Afdeling over dit punt niets gezegd; ik moet nog zien of ze dat gaan doen. Het moet op z&rsquo;n minst wel gaan om situaties die in elkaars nabijheid liggen. Als iets in Limburg is toegestaan, wil dat niet zeggen dat dat in Groningen ook gebeurt, zelfs als het om dezelfde twee bedrijven gaat.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>Die vraag komt niet uitdrukkelijk naar voren; ik heb me meer gefocust op een situatie in dezelfde buurt. Maar mijn mening op dit punt heb ik weergegeven in de conclusie, namelijk dat het in beginsel niet zou moeten uitmaken. Maar ongetwijfeld kunnen zich allerlei casussen voordoen waarbij je weer gaat twijfelen. Deze nuances komen in jurisprudentie ongetwijfeld aan de orde; speculeren is wat voorbarig. Helemaal nu het omgevingsrecht ongeveer per uur verandert. Nee, dat is overdreven, maar het heeft een zekere dynamiek, de doorloopsnelheid is vrij hoog. Ik heb de richting aangegeven. De rechter zal per concreet geval bepalen of situaties met het oog op de correctie voldoende vergelijkbaar zijn.\"<\/p>","columns":"2","style":{"title":[],"paragraph":[],"m_title":[],"m_paragraph":[]}}]},{"row_type":4,"text":[{"title":null,"description":"<p style=\"text-align: center;\"><em>\"Het moet allereerst gaan om concrete verwachtingen, om te voorkomen dat het een algemene rechtszekerheidscorrectie wordt. Ik heb het begrip &lsquo;formele handeling&rsquo; gebruikt; waar het om gaat is dat een algemene verwachting onvoldoende is voor toepassing van de correctie in verband met het vertrouwensbeginsel.\"<\/em><\/p>","columns":"0","style":{"background":["background: rgb(62,61,86);","background: rgba(62,61,86,1.00);"],"title":["color: rgb(62,61,86);","color: rgba(62,61,86,1.00);"],"paragraph":["font-family: 'Times New Roman', Times; font-weight: normal;","color: rgb(255,255,255);","color: rgba(255,255,255,1.00);","font-size: 26px;"],"m_title":["color: rgb(62,61,86);","color: rgba(62,61,86,1.00);"],"m_paragraph":["color: rgb(255,255,255);","color: rgba(255,255,255,1.00);","font-size: 26px;","font-family: 'Times New Roman', Times; font-weight: normal;"]}}]},{"row_type":4,"text":[{"title":null,"description":"<p><strong>Voor honorering (en dus correctie) is o.a. noodzakelijk dat het vertrouwen is gewekt door een bevoegd persoon en dat bij de partij concrete verwachtingen zijn gewekt dat zij zou worden beschermd door het geschonden voorschrift. Verwachtingen ontleend aan een formele handeling kunnen niet als concrete verwachtingen worden aangemerkt. Betekent dit dat de toetsing aan het vertrouwensbeginsel op dezelfde wijze zou moeten plaatsvinden als bij de &lsquo;gewone&rsquo; toepassing van het vertrouwensbeginsel? Dat zou een correctie i.v.m. een beroep op het vertrouwensbeginsel waarschijnlijk zeldzaam maken. Het is lastig voor te stellen dat een bevoegd bestuursorgaan expliciet en bij een bepaalde partij verwachtingen wekt dat zij wordt beschermd door een bepaald voorschrift. Valt er niet wat voor te zeggen om bij de correctie i.v.m. een beroep op het vertrouwensbeginsel een ruimere lijn te kiezen dan bij een gewoon beroep op het vertrouwensbeginsel (ook andere bestuursorganen, toezeggingen op lager niveau e.d.)? <\/strong><\/p>\n<p>\"Het moet allereerst gaan om concrete verwachtingen, om te voorkomen dat het een algemene rechtszekerheidscorrectie wordt. Ik heb het begrip &lsquo;formele handeling&rsquo; gebruikt; waar het om gaat is dat een algemene verwachting onvoldoende is voor toepassing van de correctie in verband met het vertrouwensbeginsel.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>De meest hoopvolle situatie voor een concurrerende partij zou kunnen zijn dat er een overeenkomst wordt gesloten met de gemeente die inhoudt dat de gemeente de komende tien jaar geen nieuwe bouwmarkt mogelijk zal maken. Dat staat waarschijnlijk vrijwel nooit in zo&rsquo;n beleidsovereenkomst, maar dan spreken we van een concrete verwachting. In principe zou dat ook een concrete toezegging kunnen zijn, zolang die specifiek is.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>Na correctie is alleen de relativiteitshobbel genomen. Vervolgens doet zich de vraag voor of een besluit vernietigd wordt vanwege strijd met materi&euml;le normen. Daarnaast is er nog de vraag &ndash; die los staat van de correctie Langemeijer &ndash; hoe het dan zit met het zelfstandige vertrouwensbeginsel. Nu de relativiteit doorbroken is, kan strijd met materi&euml;le bepalingen worden aangevoerd, maar eventueel ook (nogmaals) strijd met het vertrouwensbeginsel. Er zal eerst worden beoordeeld of materi&euml;le bepalingen geschonden zijn, en als dit het geval is wordt het besluit wellicht vernietigd. Dat zal waarschijnlijk anders zijn als niet die bepalingen geschonden zijn, maar alleen het vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel wordt vrijwel nooit gehonoreerd in die zin dat dat alsnog leidt tot een ander besluit. Ik ben eerlijk gezegd bang dat de Afdeling dan de lijn doorzet dat een beroep op het zelfstandige vertrouwensbeginsel wordt afgewezen omdat bedrijf X niet de dupe kan worden van een toezegging die aan een appellant is gedaan. Dan kan de overeenkomst niet nagekomen worden en vertaalt zich dat mogelijk in schadevergoeding.\"&nbsp;<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong>Bij twijfel over de vraag of een rechtsregel of rechtsbeginsel strekt tot bescherming van de belangen van een procederende partij geldt het uitgangspunt: beroepsgrond behandelen (&lsquo;kennelijk&rsquo; in artikel 8:69a Awb). &nbsp;Hoe werkt dat uit voor een beroep op strijd met, bijvoorbeeld, het vertrouwensbeginsel?<\/strong><\/p>\n<p>\"De kennelijkheid voegt dan naar mijn mening niet zoveel toe. Dan heb je het over het zelfstandige vertrouwensbeginsel. Je moet je een situatie voorstellen waarbij een concurrent zich niet heeft beroepen op materi&euml;le bepaling en alleen aan de orde is of het vertrouwensbeginsel relativiteit heeft. Dat zou ik op zichzelf nog wel willen verdedigen, maar dat leidt tot niks. Die materi&euml;le bepalingen, daar gaat het uiteindelijk om.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>De vraag die nu bij mij voorligt als advocaat-generaal gaat over het transparantiebeginsel en of er bij schaarse vergunningen een zekere vorm van mededinging moet zijn. Het gaat dan om onder andere de kansspelzaken. In die zaak werd ter zitting ook door een van die partijen opgeworpen, namelijk de partij die kansspelvergunning bemachtigd had, of de concurrent met zijn beroepsgronden &uuml;berhaupt wel aan de relativiteitseis kon voldoen. Kansspelnormen dienen immers tot bescherming van de belangen van gokverslaafden en dat soort zaken, en niet tot bescherming van concurrentiebelangen. Als er een norm is dat er op z&rsquo;n minst enige concurrentie moet zijn, dan strekt die norm wel ter bescherming van concurrenten, zou je kunnen zeggen. En als je aanneemt dat dergelijke normen er niet zijn, dan zou de vergunninghouder gelijk hebben, maar dat is dus afhankelijk van de vraag of die norm bestaat. Die vraag onderscheidt zich van de vraag die speelt bij toepassing van de correctie Langemeijer.\"<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><a href=\"#!\/interview-tonny-nijmeijer\" class=\"button\">Volgend artikel<\/a><\/p>","columns":"2","style":{"title":[],"paragraph":[],"m_title":[],"m_paragraph":[]}}]}]}}